In de 15e eeuw raakte het grootste deel van het veengebied dichtgeslibd. Dit zorgde ervoor dat de inkomsten uit de turfwinning aanzienlijk daalden. Veel Ketsheuvelse namen daarom het initiatief om in hun eerste levensbehoeften te voorzien. Ze hadden al een mooi stuk land, dus met een kleine hoeveelheid vee konden ze in hun eigen levensonderhoud voorzien. De landbouw was tamelijk primitief, waardoor de landbouwgrond slechts één keer werd gebruikt. Het bosrijke gebied was ook zeer geschikt als jachtgebied, waardoor de jacht een bron van inkomsten werd.

De arenleesters - Jean-François Millet, 1857, Musée d'Orsay.


De strijd rond de Turfvaart

De Turfvaart werd aangelegd door Paulus van Haestrecht, maar stierf voordat hij hiervan had kunnen profiteren. Deze glorie ging naar zijn zoon Dirk van Haestrecht (ca. 1375-1439), de opvolger als heer van Venloon. 

De tol voor het turftransport legde de heer van Venloon geen windeieren. Deze incasseerde twee stuivers per schuit, wat vaak neerkwam op een jaarlijkse inkomsten van duizend gulden. Dit melkkoetje werd oorzaak tot grote herrie, want het wekte de jaloezie op van de heer van Waalwijk, Foyken Foykenszoon, die ook wel een stuk van de turfkoek wilde consumeren.

Foyken Foykenszoon zocht naar een middel om deel te nemen in de lucratieve turfvaart. Hij meende dit te vinden in het betwisten van de grens tussen Venloon en Waalwijk. Dat leek niet zo moeilijk, omdat in die tijden de duidelijkheid van de grenzen vaak veel te wensen overliet, waardoor voortdurend strubbelingen ontstonden. Als de heer van Waalwijk het nu zó ver kon schoppen, dat zijn gebied aan de turfvaart grensde, kon hij aanspraken laten gelden. Dus begon hij dat te beweren door het eigendomsrecht van het terrein van de vaart te betwisten.


Opkomst van De Moer

De Moer is rond het jaar 1400 ontstaan. De naam verwijst al naar het oorspronkelijke hoofdmiddel van bestaan, namelijk het uitmoeren oftewel turf graven. Naar ontstaan kan het dan ook benoemd worden als veenhoevengehucht. Nadat het veen vergraven was kwam de akkerbouw en deze is nog steeds het belangrijkste bestaansmiddel. De gronden waren schraal en leverden de boeren niet veel op.

Heideontginningen werden pas vanaf het begin van deze eeuw op grote schaal ter hand genomen. Het betreffende areaal werd bebost met naaldhout. In de jaren dertig van de 20ste eeuw was er bij wijze van werkverschaffingsproject wederom een ontginningscampagne te zuiden en oosten van het dorp.

Het was te danken aan de inspanningen van de pastoor dat er zo'n opvallend grote kerk verrezen is. Pastoor Kamp werd in 1894 benoemd en was daarmee de eerste herder van de toen 180 personen tellende kern. Het geringe economisch belang dat aan De Moer gehecht werd, bleek ook uit de late aansluiting op het elektriciteits- en waterleidingnet, namelijk in 1950. De Moer is in tegenstelling tot de twee andere kernen steeds klein gebleven en bestaat nog altijd uit de kruising van de Middelstraat en de Zijstraat.