

GESCHIEDENIS VAN DE GEMEENTE LOON OP ZAND
De oudste sporen van bewoning in wat wij nu kennen als de gemeente Loon op Zand gaan terug tot de prehistorie. Deze zijn gevonden op het landgoed Huis ter Heide, ten westen van het dorp Loon op Zand. De oudste ontginningen zullen dateren uit de tiende en elfde eeuw. Deze bevinden zich in het Schildtiendgebied. Dit gebied sterkt zich uit van het kasteel van Loon op Zand in het zuiden tot de achterkade van de Langstraat in het noordelijke gebied.
Ontdek hieronder de uitgebreide geschiedenis van de huidige gemeente Loon op Zand per eeuw, vanaf de 13e eeuw. Per pagina is ook (wanneer van toepassing) de specifieke geschiedenis van de kerndorpen te vinden!
De 13e Eeuw
Hoe kwam de heerlijkheid tot stand, waar komt de naam vandaan en waar begon alles?
De 14e Eeuw
De heerlijkheid maakt groot succes met de turfwinning en de economische groei!
De 15e Eeuw
Het verlies van de turfgrond, terug naar landbouw en noodgedwongen aan de jacht.
Straatskwartier en Vaartskwartier
De heerlijkheid Venloon (of Loon op Zand) werd opgedeeld in de delen: Straatskwartier en Vaartskwartier.
Het Straatskwartier dankte haar naam aan de belangrijke oude Bossche Baan. Het Vaartskwartier is genoemd naar de oude turfvaart. Kaatsheuvel en de noordelijke gehuchten hoorden aldus bij het Vaartskwartier. Loon op Zand en overige gehuchten in het zuidelijk deel behoorden tot het Straatskwartier. In de veertiende eeuw kwam de gemeente tot welvaart door afgraving van het veen en de verscheping hiervan naar 's-Hertogenbosch. Hier kwam een einde aan door de al genoemde St. Elisabethsvloed, door veenbranden en zandverstuivingen. Men was dus gedwongen naar andere bestaansmiddelen om te zien.
Het is moeilijk om het begin van de looierij aan te duiden. In de eerste eeuwen is er sprake van huisnijverheid. In de achttiende eeuw is het gebied waarin deze gemeente ligt, de Langstraat, bekend om de vele leerlooierijen en schoenmakerijen. De eerste die in Loon op Zand bekend is, was de leerlooierij van de legerofficier J.C.E. Verster.
Diverse factoren waren van belang voor de ontwikkeling van deze tak van industrie. Er waren beekjes waar de huiden in gehangen konden worden, en veel eikenbossen die via de "run" voor looistoffen zorgden. De huiden werden aangevoerd vanuit het noorden.
Daarentegen konden de afvalproducten van de leerlooierij, lijm en koehaar, gebruikt worden bij de nabij gelegen wolindustrie in Tilburg en bij de tapijtweverij in Breda. De ligging van dit gebied op de grens met de meer welvarende provincies zoals Holland en Utrecht garandeerde de afzet.
In de negentiende eeuw wordt duidelijk om hoeveel bedrijven het gaat. In de uit 1859 daterende "Staat van Nederlandsche fabrieken" werd geschreven over 38 leerlooierijen en 300 schoenmakerijen in de gemeente Loon op Zand. Intussen nam de gemeentelijke bevolking gestaag toe in omvang. In 1822 waren er 3.952, in 1840 5.079 inwoners. In 1880 waren dat er 6.816, in 1947 12.244.
De leerverwerkende nijverheid bracht overigens voor het merendeel van de arbeiders geen welvaart met zich mee. Zij bleven arm door het systeem van de gedwongen winkelnering. Hierbij werden zij min of meer gedwongen hun loon ofwel in natura te ontvangen dan wel producten voor woekerprijzen te kopen bij hun werkgever. Dit betalingssysteem leidde tot opstanden onder de bevolking, met
name die van Kaatsheuvel. In 1909 kwam er een einde aan.
De plaats Loon op Zand bleef in vergelijking met Kaatsheuvel achter in groei. De grootste uitbreiding van het areaal aan woningbouw heeft eerst in de laatste jaren gestalte gekregen.
| Straatskwartier (huidig Loon op Zand) | Vaartskwartier (huidig Kaatsheuvel) |
|---|---|
| Kerkstraat | Efteling |
| Land van Cleeff (ook Land van Kleef) | Bernse Hoeven |
| Bestloon (ook Westloon) | Roestelberg en Achterstehoef |
| Molenstraat | Hoeksken (ook Loons Hoekje) |
| Moleneind | Vaart en Heijkant |
| Clokkenberg | Den Horst |
| Craenven | Hil en Moer |
| Het Moer | Mariendaal (Ook Hoge- en Lage Zandschel) |
Kaatsheuvel
Kaatsheuvel is een straatdorp. Het ontstond in de veertiende eeuw. De oude structuur is nog goed herkenbaar in die zin, dat zich achter de bebouwing aan de oost-west lopende hoofdwegen de groene weiden uitstrekken. Het westelijke deel, Berndijk, ontstond in de vijftiende eeuw toen de Norbertijnen, de paters van de Abdij van Berne er het land ontgonnen. Toen de turfstekerij niet meer van belang was, concentreerde men zich op het leerlooien en maken van schoenen.
Na een schuchter begin begon het al vanaf 1800 Loon op Zand zelf te overvleugelen, hetgeen zich in allerlei kleine zaken uitte. Zo kon
men vanaf 1818 ook in Kaatsheuvel worden begraven, iets wat tot die tijd aan Loon op Zand was voorbehouden. In 1853 culmineerde de opbloei in de locatie van het raadhuis te Kaatsheuvel. Vanaf die tijd worden de belangrijkste gebouwen en functies in Kaatsheuvel geconcentreerd.
In de negentiende eeuw en in de eerste helft van deze eeuw werden er veel fabrieken gebouwd ten behoeve van de schoenmakerij. Bij alles wat er nog rest, moet men bedenken dat de grootste en meest markante bedrijfsgebouwen de laatste jaren zijn afgebroken.
Ditzelfde geldt voor Loon op Zand. Het merendeel bestond overigens uit kleine fabriekjes. De versnippering door de kleine bedrijfsgrootte bleek uiteindelijk funest te zijn voor de bedrijfsvoering. De arbeiders zelf bundelden hun krachten in 1909 met de oprichting van de Werkliedenbond of R.K. Vakvereniging.
De eigenlijke nekslag viel in de crisisjaren dertig. Men probeerde de enorme werkeloosheid op te lossen door middel van werkverschaffingsprojecten, zoals het graven van de Kaatsheuvelse IJsbaan bij de Waalwijksebaan. Een aanzet tot een vernieuwde bloei in een heel andere sfeer was de opzet van een kinderspeeltuin en sportterrein in 1933 door twee kapelaans. Na de Tweede Wereldoorlog zag de toenmalige burgemeester Van der Heijden naar aanleiding van een grote expositie over de schoen, die veel belangstellenden trok, kansen voor werkgelegenheid in een heel nieuwe sector: de recreatie. De echtgenote van burgemeester Van der Heijden kwam op het idee, sprookjes in beeldende vorm te realiseren. In 1951 werd het sprookjespark De Efteling officieel geopend.
Vanaf die tijd tot nu werd er in hoog tempo gebouwd in de hoofdkernen. In eerste instantie werd het gedeelte tussen de Hoofdstraat en de Hilsestraat bebouwd met rijtjeswoningen, terwijl het gebied rond het Wilhelminaplein tot de Europalaan vooral villabebouwing kreeg. Toen in 1961 de Vossenbergselaan werd uitgebreid en voltooid, was daarmee het laatste deel van de Vossenbergsche Vaart verdwenen. De laatste twintig jaar is de plaats nog aanmerkelijk verder uitgebreid.
De Moer
De Moer is rond 1400 ontstaan. De naam verwijst al naar het oorspronkelijke hoofdmiddel van bestaan, namelijk het uitmoeren oftewel turf graven. Naar ontstaan kan het dan ook benoemd worden als veenhoevengehucht. Nadat het veen vergraven was kwam de akkerbouw en deze is nog steeds het belangrijkste bestaansmiddel. De gronden waren schraal en leverden de boeren niet veel op.
Heideontginningen werden pas vanaf het begin van deze eeuw op grote schaal ter hand genomen. Het betreffende areaal werd bebost met naaldhout. In de jaren dertig van de 20ste eeuw was er bij wijze van werkverschaffingsproject wederom een ontginningscampagne te zuiden en oosten van het dorp.
Het was te danken aan de inspanningen van de pastoor dat er zo'n opvallend grote kerk verrezen is. Pastoor Kamp werd in 1894 benoemd en was daarmee de eerste herder van de toen 180 personen tellende kern. Het geringe economisch belang dat aan De Moer gehecht werd, bleek ook uit de late aansluiting op het electriciteits- en waterleidingnet, namelijk in 1950. De Moer is in tegenstelling tot de twee andere kernen steeds klein gebleven en bestaat nog altijd uit de kruising van de Middelstraat en de Zijstraat.
GEHUCHTEN
Duiksehoef
De Duiksehoef lijkt als gehucht te zijn ontstaan rond een driehoekige plaatse en zou als zodanig tot de oudste nederzettingen kunnen behoren.
Roestelberg
De Roestelberg ontstond als een middeleeuwse heidenederzetting, een agrarische gemeenschap bij de Loonse Duinen.
Molenstraat
Het gehucht Molenstraat is een voorbeeld van een middeleeuwse nederzetting, zoals ze tussen 1000 en 1200 ontstonden: een kampgehucht. Zo'n gehucht ontstond uit een eenmansbedrijf dat zich toelegde op de ontginning van een klein stuk woeste grond.
Eerste en Tweede Straatje
De bewoners van de gehuchten ten noorden en westen, onder meer het toenmalige Eerste en Tweede Straatje, van Kaatsheuvel vonden hun bestaansmiddelen in de kleine ambachtelijke nijverheid. De hennepteelt was de basis van dit armoedige bestaan. Er werden stoelen gemat, zwavelstokken gemaakt en matten gevlochten. Daarnaast werd werk verricht als scharensliep. De bewoners van deze gehuchten leidden een ambulant bestaan, waarbij zij hun waren in de omgeving verkochten.
Het Eerste Straatje ontwikkelde zich aan het eind van de negentiende eeuw tot het kerkgehucht Berndijk langs de Erasstraat.
Loons Hoekje
In het gehucht Loons Hoekje heeft lang een touwslagerij bestaan.
Efteling
Aan de Horst 8, dus bij het vroegere gehucht de Efteling, stond het sterk verbouwde en daarom niet geïnventariseerde café "De Steenbakker". Zowel de naam als de geraadpleegde literatuur wijst op het bestaan van een kleinschalige steenfabriek. Er moet in de tweede helft van de 19e eeuw ook een steenbakkerij hebben gestaan tussen de Kasteellaan en het Moleneind. Deze takken van nijverheid zijn kort na 1900 verdwenen.
Mariendaal
Mariendaal is een toponiem die geheel uit het spraakgebruik is verdwenen. In de l8e eeuw was het een aparte wijk en omsloot de huidige Hoge en Lage Zandschel. J. van der Hammen (1922) vermoede dat deze naam te danken was aan een klooster, maar dat bleek onjuist. In vergelijking met de naam Kaatsheuvel is de afleiding vrij eenvoudig.
Het schepenprotocol vermeldt de volgende toponiemen voor een en dezelfde plaats:
De eerste vermelding van ±1513 verklaart het volgende:
"Mijne Vrouwe Delle, de moerdellen of putten van de Vrouwe van Venloon, ook genoemd Onze Vrouwe Delle".
Dit werd ±1549 veranderd:
"Onzer Liever Vrouwe Delle, waarmee de relatie tot Maria werd gelegd."
Eind 16e eeuw treden dan ook nieuwe verbasteringen van de naam op: Mariadelle of Mariendelle op.
Gedurende de eerste helft van de 17e eeuw zijn de moerdellen uitgegraven, waarna een waterplas overbleef, het zogehete Marienwielke. Na de ontginning en drooglegging gaat dit weer over in Mariendelle en Mariendaal.
In de l7e eeuw verdringt deze toponiem de andere wijknamen Schouteth Hoef en Twelf geerden, maar moet op haar plaats ruimte maken voor het toponiem Zandschel in de l9e eeuw.
Gezien de oorspronkelijke ligging van Mariendaal, werd er vermoed dat het hier om dezelfde plaats betrof als het Grondeloze Meerke, een meerstal (moerasven), wat gelegen moet hebben ter hoogte van de kruising Dreefseweg /Hoge Zandschel.
Dit Grondeloze Meerke is een van de oudste bekende toponiemen van Kaatsheuvel.
Zandschellen
De Zandschellen verwijst naar de buurten in Kaatsheuvel: de Hoge Zandschel en de Lage Zandschel. Een zandschel is een lage zandrug, deze kwamen veel voor in het stuifgebied van de Loonse en Drunense Duinen.
De oudste vermeldingen van de Zandschellen dateert van 1617, zoals benoemd in het schepenprotocol van Venloon als: de Sandtschellen. Dit was ver voordat het gehucht Mariendaal gedurende de 19e eeuw de nieuwe naam Zandschel kreeg. Dit bewijst dat een toponiem, voordat deze algemeen in gebruik raakt, reeds lang kan bestaan.
Bronnen:
-
Verschuren, G., Strol Zaand, december 1985.