Kaatsheuvel wil zich afscheiden van Loon op Zand

De ene opstand leidt tot de andere

In 1830 kwam het zuiden van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in opstand tegen het noorden. Na de Tiendaagse Veldtocht volgde een jarenlange en veel ongerief met zich meebrengende inkwartiering van militairen, ook in de gemeente Loon op Zand. Uiteindelijk leidde de opstand in 1839 tot de afscheiding van België van het huidige Nederland. Nadat de ingekwartierde militairen goed en wel uit Noord-Brabant waren verdwenen, kwam op lokaal niveau het noorden, Kaatsheuvel, in opstand tegen het zuiden, het kerkdorp Loon op Zand.

Het was in de zomer van 1840 dat burgemeester Van den Hummel zijn secretaris in de raadsvergadering van Loon op Zand een rekest (verzoekschrift) liet voorlezen, dat door inwoners van Kaatsheuvel was ingediend bij Zijne Majesteit de Koning.


Rede van afscheidingswens

Zelfvoorzienend 

Samen met het dorp Loon op Zand vormde Kaatsheuvel één gemeente, maar ze zouden zich graag van Loon op Zand afscheiden en een afzonderlijke gemeente vormen om zo de belangen van het eigen dorp beter te kunnen behartigen en tot meer bloei te komen.

Ter toelichting diende dat Kaatsheuvel 3.400 inwoners telde, een zelfstandige rooms-katholieke parochie was met een eigen kerk, pastoor en kapelaan, een school bezat, een begraafplaats, twee molens, enzovoorts. De ligging van het dorp was zeer aangenaam en fraai en mede uit de nette stenen huizen in de dorpskom bleek de 'goede gesteldheid der inwoners verre boven Loon op Zand'.
Er werd veel handel gedreven en de vele aanzienlijke 'trafijken' leverden aan vele honderden mensen middelen van bestaan op.

Afstand naar Loon op Zand

Echter de zetel van het gemeentebestuur was gevestigd in het op een afstand van een groot uur gelegen Loon op Zand. Dat was lastig en onaangenaam, te meer vanwege de uitgestrekte heide tussen beide dorpen. Het betekende veel tijdverlet wanneer ze voor het een of ander naar het raadhuis moesten.

Kritiek door achterstelling

Ook hadden de indieners van het rekest kritiek op het gemeentebestuur. Van de twee armmeesters in Kaatsheuvel was er nog maar een over, de vroegere veldwachter en schutskooi waren er niet meer en ook de nachtwacht was van twee tot één persoon teruggebracht. Hierdoor waren diefstallen en andere onaangenaamheden als het ware aan de orde van de dag. Brandspuiten en zelfs brandputten of waterkuilen waren er ook al niet en het onderhoud van de wegen was slecht. Dit alles zou veel beter kunnen indien Kaatsheuvel een afzonderlijke gemeente zou zijn.

Oneerlijke vertegenwoordiging

Bovendien was de vertegenwoordiging in de gemeenteraad zeer onbillijk verdeeld. Het slechts 1.400 inwoners tellende Loon op Zand was vertegenwoordigd door vijf leden met de burgemeester. Daarentegen Kaatsheuvel slechts door drie personen, waarvan een lid vanwege zijn hoge ouderdom en lichaamsgebreken de raad zelden bijwoonde, terwijl een van de assessoren (wethouders), die sedert een paar jaar in Kaatsheuvel woonde, te onverschillig en bekrompen was om de belangen van hun dorp goed te kunnen behartigen. Door deze verdeling was het algemeen gevoelen in Kaatsheuvel, dat de belangen van Loon op Zand voor gingen.


Ondertekening van het rekest

Maar liefst 114 inwoners van Kaatsheuvel ondertekenden het rekest. Bovenaan zien we 'G. van Dortmond Koopman en Leerloijer', en 'H.J. Couwenberg Koopman'. Gerrit van Dortmond bezit in 1840 de grootste looierij van Kaatsheuvel en een schoenmakerij. Daarnaast is hij winkelier, slijter, caféhouder, voerman en houdt hij zich als koopman bezig met onder meer de huidenhandel en zaakwaarneming.

Zijn zwager Hendrik (Janse) Couwenberg is schoenmaker en eigenaar van een logement met café en biljart. Voorts is hij stalhouder, winkelier, slijter, vervoerder en koopman. Na deze twee hoofdrolspelers van het verzoek om afscheiding volgen 'J. Castelijns', 'G. Snoeren Grutter', 'H.P. van Dortmond Schoenmaker', 'J. Lombarts Leerlooijer', 'H. Dekkers Smit', 'Peter Dekkers Koperslager' 'A. Wagenmakers Bouwman', 'C. Zoethout R.C. Pastoor' en vele anderen.

In het oog springend zijn verder de namen van de twee Kaatsheuvelse raadsleden 'C.H. Snoeren Lid van den Raad' en 'C. de Beer Assr'. Terzijde: Deze C(ornelis) de Beer was de in het rekest bedoelde assessor die de Kaatsheuvelse belangen niet goed zou behartigen, wat de vraag doet rijzen hoe iemand ertoe komt om daar zijn handtekening onder te zetten.


Reactie gemeentebestuur

Het rekest werd 'vanwege de Koning' door de Minister aan GS voor advies voorgelegd. GS besloten het via de (districts)commissaris door te sturen naar de gemeenteraad van Loon op Zand met het verzoek om zijn 'gevoelen' mee te delen over de aangevoerde argumenten en de onderliggende gronden waarop het verzoekschrift berustte. Op 27 juli, precies een maand na de indiening, was deze zaak onderwerp van bespreking in de gemeenteraad.

Kaatsheuvel en Loon op Zand

Het door Van Dortmond c.s. ingediende verzoekschrift is in de eerste plaats een lofprijzing op Kaatsheuvel dat van een armoedig gehucht was uitgegroeid tot een flink uit de kluiten gewassen en welvarend dorp. Het heeft een fraaie dorpskom, stenen huizen en allerlei voorzieningen zoals kerken, molens, een begraafplaats en een school, maar helaas geen eigen gemeentebestuur. Dat is gezeteld in het veel kleinere en verafgelegen Loon op Zand, wat niet alleen heel erg lastig is, maar ook ten koste gaat van de verdere ontwikkeling en bloei, temeer omdat de belangen van Kaatsheuvel door de gemeente niet goed worden behartigd. Wat begint als een lofzang op Kaatsheuvel, ontaardt in een klaagzang op het gemeentebestuur. Zelfs de Kaatsheuvelse raadsleden moeten het ontgelden. Hierdoor wordt de toon gezet voor het debat. De gemeenteraad ziet er kennelijk aanleiding in om zich in zijn schriftelijke reactie denigrerend uit te laten over de adressanten (de indieners van het rekest, ook rekwestranten genoemd). Het zijn maar enkele gezinshoofden en ook kinderen hebben er hun handtekening onder gezet, terwijl de overigen bij het gemeentebestuur onbekend zijn of niet eens kunnen schrijven.

Dat gezegd zijnde, plaatst de raad enige kanttekeningen bij het aanprijzen van Kaatsheuvel in het rekest. Kaatsheuvel telt geen 3.400 'zielen', maar 3.370, en Loon op Zand niet 1.400, maar 1.513, waarbij bedacht moet worden dat het Vaartskwartier uit zestien gehuchten bestaat, waarvan sommige even ver van Kaatsheuvel zijn verwijderd als Loon op Zand. Daarmee wilde de raad aantonen dat Kaatsheuvel wel groter was dan Loon op Zand, maar dat het verschil minder groot was dan in het rekest werd voorgesteld. Dat van die goede gesteldheid van Kaatsheuvel 'verre boven Loon op Zand' hadden de adressanten beter niet kunnen zeggen, want daar meent de raad wel gepast op te kunnen reageren: de inwoners van Loon op Zand betalen per hoofd 83½ cent belasting, die van Kaatsheuvel maar 57½ cent. En de belangrijke handel die in Kaatsheuvel gedreven wordt, geschiedt slechts door één persoon, Gerrit van Dortmond.

Daarvan afgezien kunnen beide dorpen gelijkgesteld worden. Wel zijn er in Kaatsheuvel zeven leerlooiers en in Loon op Zand maar vier. Dat er vele aanzienlijke 'trafijken' (werkplaatsen van handel en ambacht) in Kaatsheuvel zijn die aan vele honderden mensen middelen van bestaan opleveren, is bij het gemeentebestuur onbekend, of het zou moeten zijn dat daaronder wordt verstaan het maken van zwavelstokken en vloermatten.

Nergens moeten zoveel mensen hun brood buiten hun dorp verdienen dan in Kaatsheuvel en nergens zijn er zulke grote aantallen armen, zoals de armmeesters kunnen bevestigen. Het aantal armen in Kaatsheuvel neemt zelfs toe, waarbij nog komt dat alle personen die als bedelaar zijn opgevat en naar de koloniën (van 'weldadigheid', om hen te leren werken) zijn opgezonden, aldaar, in het Vaartskwartier, thuishoren.

Achterstelling Kaatsheuvel?

Het klopt, zo stelt de gemeenteraad, dat de inwoners van Kaatsheuvel voor gemeentezaken naar het raadhuis in de kom van Loon op Zand moeten, een afstand van een uur gaans, niet een 'groot' uur dus. Men kan daar altijd terecht, niemand hoeft een vergeefse reis te maken en niemand is verplicht om in Loon op Zand iets te verteren. Bovendien begeeft de burgemeester zich zeer dikwijls naar Kaatsheuvel, waar hij voor iedereen te spreken is. Ook is het zo dat zowel de ontvanger der directe belastingen als de plaatselijke ontvanger op werkdagen van 9 - 14 uur zitting houden in Kaatsheuvel.

  • Op de overige punten reageert de raad als volgt: Dat er in Kaatsheuvel maar een armmeester is, klopt niet, het zijn er twee: Peter Dekkers, koperslager in Kaatsheuvel, en Huibert Span, landbouwer op de Vaartkant. Loon op Zand heeft één armmeester: Jan de Kort, landbouwer aan het Bergeind.
  • Er is inderdaad maar een veldwachter in de gehele gemeente, maar die brengt wel zijn meeste tijd door in Kaatsheuvel.
  • De schutskooi was overbodig en is daarom een paar jaren geleden afgebroken; er zijn daar nooit klachten over ontvangen.
  • Het is onjuist dat de nachtwacht in Kaatsheuvel is verminderd. De gemeente betaalt drie nachtwakers, waarvan twee voor Kaatsheuvel en de Loonsendijk, en ook daarover is tot nu toe nooit geklaagd.
  • De veiligheid in Kaatsheuvel krijgt alle aandacht. Behalve de veldwachter zijn er nog de marechaussees, die vanuit hun standplaatsen Sprang en Loon op Zand regelmatig in Kaatsheuvel hun ronde doen, zowel overdag als 's nachts. En wanneer iemand klachten heeft of aangifte doet, wordt daar dadelijk proces-verbaal van opgemaakt en aan de bevoegde rechter ingezonden.
  • De gemeente heeft geen brandspuiten. Zodra de gemeentekas het toelaat, zullen er twee worden aangeschaft. In geval van brand heeft Kaatsheuvel het voordeel dat vanuit Sprang en Vrijhoeven-Capelle bijstand wordt verleend.
  • Er wordt veel werk gemaakt van het onderhoud van de gemeentewegen en daarbij wordt Kaatsheuvel zeker niet achtergesteld.

Klachten over de raad

De klacht dat de gemeenteraad 'zeer onbillijk' is verdeeld omdat slechts drie leden woonachtig zijn in Kaatsheuvel waar meer dan twee derde van de bevolking woont, wordt in de reactie van het gemeentebestuur niet weersproken. Zowel in het Vaartskwartier als in het
Straatskwartier bevindt zich een aantal gehuchten, die verspreid zijn gelegen over het uitgestrekte grondgebied van de gemeente. Hierbij wordt slechts aangetekend dat de leden van de raad verspreid over dit grondgebied wonen:

  • de burgemeester met een lid in de kom van Loon op Zand en de overige raadsleden in de onderscheidene gehuchten:
    • in het Straatskwartier in de gehuchten Bergeind, Moleneind, Kraanven en De Moer elk een
      lid;
    • in het Vaartskwartier twee leden in Kaatsheuvel en een op de Loonsendijk.

 

De klacht van de rekwestranten beperkt zich niet tot deze onbillijke verdeling. Zij hebben ook kritiek op het functioneren van twee van de drie raadsleden uit Kaatsheuvel, maar ze noemen daarbij geen namen. De een laat zich 'uit hoofde zijner hooge jaren en gebrekkelijken toestand' zelden in de raad zien, terwijl de ander nog maar een paar jaar in de gemeente Loon op Zand woont en derhalve een 'vreemdeling' is, die het bovendien ontbreekt aan de vereiste eigenschappen om voor Kaatsheuvel op te komen. De reactie van het gemeentebestuur noemt wél de namen om wie het gaat:

  • Cornelis Hendrik Snoeren
    Dit raadslid, dat altijd in Kaatsheuvel heeft gewoond, is al meer dan dertig jaar onafgebroken lid van de raad en 'eene van de getrouwste leden ter bijwoning van de vergaderingen'. (Uit raadpleging van de notulen van de laatste twaalf maanden blijkt dat Snoeren alle acht vergaderingen van juni 1839 tot maart 1840 aanwezig was, maar dat hij vanaf 9 maart niet meer is verschenen.)
  • Cornelis de Beer
    De Beer is geboren te Sprang en is in mei 1836 naar Kaatsheuvel verhuisd. Hij is rentenier en staat zeer goed bekend in Kaatsheuvel, waar hij ook altijd zijn godsdienst heeft uitgeoefend, ook toen hij nog in Sprang woonde. Hij is al jaren kerkmeester van de Kaatsheuvelse kerk en in de gemeente Sprang was hij lid van de raad. Na het overlijden van assessor en lid van de raad Jan Sup is hij in 1838 in diens plaats gekomen en begin 1840 voor een termijn van zes jaar herkozen. Het gemeentebestuur vindt het kwalijk dat de rekwestranten met dit raadslid gaan 'spotten na (...) denzelve eerst zijne buik te hebben volgegeven [en] tot de onderteekening van gemeld rekwest hebben weten over te halen, zoodanige handelwijze laten wij aan de overdenking van UwelE. Gestr. over'.

 

Na erop gewezen te hebben dat nog in 1834 in Kaatsheuvel een nieuwe school is gebouwd die de gemeente wel drieduizend gulden heeft gekost, vertrouwt het gemeentebestuur erop dat de commissaris en GS overtuigd zijn 'van al het leugenachtige en bedriegelijke' van de rekwestranten, dat er geen voordelen zijn en alleen maar schade is bij afscheiding en ten slotte dat het rekest het werk is van 'eenige eigen belang zoekers' die de mensen hebben wijs gemaakt dat ze bij afscheiding minder belasting hoeven op te brengen.


Advies districtscommissaris aan GS

Na de vergadering stuurt de burgemeester de reactie van het gemeentebestuur naar de commissaris. Het is van belang hierbij te vermelden dat twee leden de vergadering niet hebben bijgewoond. Dat zijn het Kaatsheuvelse raadslid Snoeren, die zoals gezegd sinds
maart verstek had laten gaan, en de aan de Loonsendijk woonachtige Vermeulen, die de helft van alle vergaderingen schitterde door afwezigheid. Afgezien van burgemeester Van den Hummel zat zodoende alleen assessor De Beer aan tafel om de Kaatsheuvelse belangen te behartigen, iets waartoe hij volgens het - ook door hemzelf ondertekende - rekest niet in staat was.

Los van de kwaliteiten en woonplaats van de raadsleden roept de weinig gematigde toonzetting van de reactie de vraag op of deze echt de mening van de raad weergeeft. De commissaris had er zo zijn bedenkingen over: 'De redactie van dezen brief duidt ook te veel
partijdigheid aan om al het daarin aangehaalde voor waarheid te houden, en doet bij mij den twijfel ontstaan of dezelve wel uit den boezem van den gemeenteraad voortspruit.'

Wat de inhoud aangaat, bevestigt de commissaris dat sommige bezwaren van de adressanten in overeenstemming zijn met de waarheid, zoals de grootte van de bevolking van Kaatsheuvel, de afstand naar Loon op Zand en de slechte wegen. Aan dit laatste voegt hij toe de raad herhaaldelijk te hebben aangespoord tot beter onderhoud en ook dat hij de raad heeft voorgehouden dat er een gebaande weg dient te zijn van Kaatsheuvel naar het dorp, 'tussen twee zoo aanzienlijke gedeelten eener groote gemeente'. Maar ook stelt hij vast dat de adressanten verzuimen om in te gaan op de financiële gevolgen van afscheiding. Er zal toch een nieuwe administratie moeten worden opgezet, waartoe het bouwen van een raadhuis een
eerste noodzakelijkheid is.

Omdat het moeilijk is op grond van voorliggende stukken een goed advies uit te brengen, lijk het de commissaris gewenst dat een commissie uit GS beide partijen mondeling hoort. Mogelijk kan het 'in der minne worden afgedaan'. Alvorens verder te gaan met de bestuurlijke afhandeling door GS, eerst iets over de samenstelling van de gemeenteraad ten tijde van de indiening van het rekest en de kort daarvoor plaatsgevonden (her)benoemingen van raadsleden.


Ter Afsluiting

De conclusie mag luiden dat de indieners van de rekesten hun doel niet hebben bereikt. Kaatsheuvel is niet afgescheiden van Loon op Zand en niet verheven tot een zelfstandige gemeente. Dat betekent niet dat Van Dortmond c.s. voor niets hebben gestreden. Ze hebben
de 'onbillijke' samenstelling van de raad op de agenda gezet, zowel op het Loonse raadhuis als in Den Bosch. De eerste resultaten daarvan waren dat de - volgens rooster - periodiek aftredende leden niet meer zoals gebruikelijk werden herbenoemd. Dat leidde niet alleen tot nieuw bloed in de raad, maar ook kwam een ingezetene uit het Vaartskwartier in de plaats van een aftredend raadslid uit het Straatskwartier. Dat mag gerust een doorbraak worden genoemd!

Maar daarmee waren de indieners van de rekesten natuurlijk niet tevreden. De aanleg enkele jaren later van een verharde provinciale weg Tilburg-Waalwijk - wél door Loon op Zand, maar niét door Kaatsheuvel - zou de tegenstellingen weer op scherp zetten en in
1849 leiden tot een nieuwe smeekbede aan de koning om van Kaatsheuvel een zelfstandige gemeente te maken. Ook daarop zou weer een negatief antwoord komen. Toen weer enkele jaren later de Straetse en Vaertse twisten door de verplaatsing van het raadhuis naar
Kaatsheuvel een climax bereikten, kwam het provinciebestuur tot de conclusie dat het zo niet verder kon; alleen door Kaatsheuvel en Loon op Zand te splitsen, zouden de spanningen kunnen worden weggenomen.

De redactie van het Amsterdamse De Tijd: godsdienstigstaatkundig dagblad ging - op de voorpagina! - uitgebreid in op de 'vijandige rivaliteit' tussen beide Brabantse dorpen. Het blad was van mening dat splitsing al veel eerder had moeten gebeuren: 'Intussen dáár eindigt men nu met datgene, waarmede men had moeten aanvangen. Men vraagt scheiding van Kaatsheuvel.' Maar ook het provinciebestuur zelf zou dat niet voor elkaar weten te krijgen.

Uiteindelijk zou deze gehele kwestie in 1853 leiden tot de verplaatsing van het gemeentehuis van Loon op Zand naar Kaatsheuvel (het eerste gemeentehuis in Kaatsheuvel). 


Ter info: Deze informatie is een extract uit het uitgebreide werk van verschillende artikelen die over de jaren zijn gepubliceerd door de Heemkundekring de Ketsheuvel. Hierin gaan tientallen pagina's over dit onderwerp en er wordt hard gewerkt om deze allemaal over te zetten op deze pagina (met alle bronnen gericht op heemkundekring de Ketsheuvel, de publicatie op De Ketsheuvelse Historicus dient alleen voor het verzamelen van de historische info op één centraal punt. Al het werk op deze pagina gaat dus uit naar heemkundekring de Ketsheuvel).

Over een langere periode hopen we de volledige informatie op deze pagina te hebben gezet. Bedankt voor uw geduld.


Bronnen: