Geschiedenis gemeente Loon op Zand

Loon op Zand

De oudste sporen van bewoning gaan terug tot de prehistorie. Deze zijn gevonden op het landgoed Huis ter Heide, ten westen van Loon op Zand. De oudste ontginningen zullen dateren uit de tiende en elfde eeuw. Deze bevinden zich in het Schildtiendgebied. Dit gebied sterkt zich uit van het kasteel van Loon op Zand in het zuiden tot de achterkade van de Langstraat in het noordelijke gebied.

In 1233 is er voor het eerst sprake van Loon op Zand, wanneer er een stenen St. Willebrordkerkje gebouwd is.

De plaats werd in 1269 voor het eerst officieel genoemd, toen het als grondheerlijkheid werd uitgegeven aan Willem van Horne.

Het plaatsje dat in de twaalfde eeuw ontstond is niet op dezelfde plek gelegen als de huidige nederzetting. In de veertiende eeuw zag men zich door de zandverstuivingen gedwongen om de locatie van het oude Venloon meer naar het zuidwesten op te schuiven. Op een stuk grond met de naam: "Kerkenakker" nabij de Waalwijksebaan zijn ondergronds nog resten van het dertiende-eeuwse kerkje.

Loon op Zand kan worden aangeduid als een kasteeldorp. Er zijn aanwijsbare relaties tussen de vorming van het dorp en het kasteel. Er was een eigen adellijke kerk, de gemeente werd als grondheerlijkheid uitgegeven en er is nog steeds een zichtbare relatie tussen het kasteel en de overige dorpsbebouwing. Wanneer men de functie van de nederzetting primair stelt, kan men Loon op Zand tot de
straatdorpen rekenen. Het bevindt zich op de overgang tussen zand en veengebied en het lag op een kruispunt van wegen waardoor de handelsfunctie tot ontwikkeling kwam. Een straat, bestaande uit aaneengesloten bebouwing kon zich aldus ontwikkelen.

Loon op Zand werd opgedeeld in de delen Straatskwartier en Vaartskwartier. Het Straatskwartier dankte haar naam aan de belangrijke oude Bossche Baan. Het Vaartskwartier is genoemd naar de oude turfvaart. Kaatsheuvel en de noordelijke gehuchten hoorden aldus bij het Vaartskwartier. Loon op Zand en overige gehuchten in het zuidelijk deel behoorden tot het Straatskwartier. In de veertiende eeuw kwam de gemeente tot welvaart door afgraving van het veen en de verscheping hiervan naar 's-Hertogenbosch. Hier kwam een einde aan door de al genoemde St. Elisabethsvloed, door veenbranden en zandverstuivingen. Men was dus gedwongen naar andere bestaansmiddelen om te zien.

Het is moeilijk om het begin van de looierij aan te duiden. In de eerste eeuwen is er sprake van huisnijverheid. In de achttiende eeuw is het gebied waarin deze gemeente ligt, de Langstraat, bekend om de vele leerlooierijen en schoenmakerijen. De eerste die in Loon op Zand bekend is, was de leerlooierij van de legerofficier J.C.E. Verster.

Diverse factoren waren van belang voor de ontwikkeling van deze tak van industrie. Er waren beekjes waar de huiden in gehangen konden worden, en veel eikenbossen die via de "run" voor looistoffen zorgden. De huiden werden aangevoerd vanuit het noorden.

Daarentegen konden de afvalproducten van de leerlooierij, lijm en koehaar, gebruikt worden bij de nabij gelegen wolindustrie in Tilburg en bij de tapijtweverij in Breda. De ligging van dit gebied op de grens met de meer welvarende provincies zoals Holland en Utrecht garandeerde de afzet.

In de negentiende eeuw wordt duidelijk om hoeveel bedrijven het gaat. In de uit 1859 daterende "Staat van Nederlandsche fabrieken" werd geschreven over 38 leerlooierijen en 300 schoenmakerijen in de gemeente Loon op Zand. Intussen nam de gemeentelijke bevolking gestaag toe in omvang. In 1822 waren er 3.952, in 1840 5.079 inwoners. In 1880 waren dat er 6.816, in 1947 12.244.

De leerverwerkende nijverheid bracht overigens voor het merendeel van de arbeiders geen welvaart met zich mee. Zij bleven arm door het systeem van de gedwongen winkelnering. Hierbij werden zij min of meer gedwongen hun loon ofwel in natura te ontvangen dan wel producten voor woekerprijzen te kopen bij hun werkgever. Dit betalingssysteem leidde tot opstanden onder de bevolking, met
name die van Kaatsheuvel. In 1909 kwam er een einde aan.

De plaats Loon op Zand bleef in vergelijking met Kaatsheuvel achter in groei. De grootste uitbreiding van het areaal aan woningbouw heeft eerst in de laatste jaren gestalte gekregen.

Kaatsheuvel

Kaatsheuvel is een straatdorp. Het ontstond in de veertiende eeuw. De oude
structuur is nog goed herkenbaar in die zin, dat zich achter de bebouwing aan de
oost-west lopende hoofdwegen de groene weiden uitstrekken.
Het westelijke deel, Berndijk, ontstond in de vijftiende eeuw toen de
Norbertijnen, de paters van de Abdij van Berne er het land ontgonnen. Toen de
turfstekerij niet meer van belang was, concentreerde men zich op het leerlooien
en maken van schoenen. Na een schuchter begin begon het al vanaf 1800 Loon op
Zand zelf te overvleugelen, hetgeen zich in allerlei kleine zaken uitte. Zo kon
men vanaf 1818 ook in Kaatsheuvel worden begraven, iets wat tot die tijd aan
Loon op Zand was voorbehouden. In 1853 culmineerde de opbloei in de locatie van
het gemeentehuis te Kaatsheuvel. Vanaf die tijd worden de belangrijkste gebouwen
en functies in Kaatsheuvel geconcentreerd.
In de negentiende eeuw en in de eerste helft van deze eeuw werden er veel
fabrieken gebouwd ten behoeve van de schoenmakerij. Bij alles wat er nog rest, .
moet men bedenken dat de grootste en meest markante bedrijfsgebouwen de laatste
twintig jaar zijn afgebroken. Ditzelfde geldt voor Loon op Zand. Het merendeel
bestond overigens uit kleine fabriekjes.
De versnippering door de kleine bedrijfsgrootte bleek uiteindelijk funest te
zijn voor de bedrijfsvoering. De arbeiders zelf bundelden hun krachten in 1909
met de oprichting van de Werkliedenbond of R.K. Vakvereniging.
De eigenlijke nekslag viel in de crisisjaren dertig. Men probeerde de enorme
werkeloosheid op te lossen door middel van werkverschaffingsprojecten, zoals het
graven van de Ijsbaan bij de Waalwijksebaan. Een aanzet tot een vernieuwde bloei
in een heel andere sfeer was de opzet van een kinderspeeltuin en sportterrein in
1933 door twee kapelaans. Na de Tweede Wereldoorlog zag de toenmalige burgemeester naar aanleiding van een grote expositie over de schoen, die veel belangstellenden trok, kansen voor werkgelegenheid in een heel nieuwe sector: de
recreatie. De echtgenote van burgemeester Van der Heijden kwam op het idee,
sprookjes in beeldende vorm te realiseren. In 1951 werd het sprookjespark De
Efteling officieel geopend.
Vanaf die tijd tot nu werd er in hoog tempo gebouwd in de hoofdkernen. In eerste
instantie werd het gedeelte tussen de Hoofdstraat en de Hilsestraat bebouwd met
rijtjeswoningen, terwijl het gebied rond het Wilhelminaplein tot de Europalaan
vooral villabebouwing kreeg. Toen in 1961 de Vossenbergselaan werd uitgebreid en
voltooid, was daarmee het laatste deel van de Vossenbergsche Vaart verdwenen. De
laatste twintig jaar is de plaats nog aanmerkelijk verder uitgebreid.

De Moer

De Moer is rond 1400 ontstaan. De naam verwijst al naar het oorspronkelijke
hoofdmiddel van bestaan, namelijk het uitmoeren oftewel turf graven. Naar
ontstaan kan het dan ook benoemd worden als veenhoevengehucht. Nadat het veen
vergraven was kwam de akkerbouw en deze is nog steeds het belangrijkste bestaansmiddel. De gronden waren schraal en leverden de boeren niet veel op.
Heideontginningen werden pas vanaf het begin van deze eeuw op grote schaal ter
hand genomen. Het betreffende areaal werd bebost met naaldhout. In de jaren
dertig was er bij wijze van werkverschaffingsproject wederom een ontginningscampagne te zuiden en oosten van het dorp.

Het was te danken aan de inspanningen van de pastoor dat er zo'n opvallend grote
kerk verrezen is. Pastoor Kamp werd in 1894 benoemd en was daarmee de eerste
herder van de toen 180 personen tellende kern.
Het geringe economisch belang dat aan De Moer gehecht werd, bleek ook uit de
late aansluiting op het electriciteits- en waterleidingnet, namelijk in 1950. De
Moer is in tegenstelling tot de twee andere kernen steeds klein gebleven en
bestaat nog altijd uit de kruising van de Middelstraat en de Zijstraat.

Gehuchten

Duiksehoef lijkt als gehucht te zijn ontstaan rond een driehoekige plaatse en
zou als zodanig tot de oudste nederzettingen kunnen behoren.
Roestelberg ontstond als een middeleeuwse heidenederzetting, een agrarische
gemeenschap bij de Loonse Duinen.
Het gehucht Molenstraat is een voorbeeld van een middeleeuwse nederzetting,
zoals ze tussen 1000 en 1200 ontstonden: een kampgehucht. Zo'n gehucht ontstond
uit een eenmansbedrijf dat zich toelegde op de ontginning van een klein stuk
woeste grond.
De bewoners van de gehuchten ten noorden en westen, onder meer het toenmalige
Eerste en Tweede Straatje, van Kaatsheuvel vonden hun bestaansmiddelen in de
kleine ambachtelijke nijverheid. De hennepteelt was de basis van dit armoedige
bestaan. Er werden stoelen gemat, zwavelstokken gemaakt en matten gevlochten.
Daarnaast werd werk verricht als scharensliep. De bewoners van deze gehuchten
leidden een ambulant bestaan, waarbij zij hun waren in de omgeving verkochten.
Het Eerste Straatje ontwikkelde zich aan het eind van de negentiende eeuw tot
het kerkgehucht Berndijk langs de Erasstraat.
In het gehucht Loons Hoekje heeft lang een touwslagerij bestaan.
Aan de Horst 8, dus bij het vroegere gehucht de Efteling, staat nog het sterk
verbouwde en daarom niet geïnventariseerde café "De Steenbakker". Zowel de naam
als de geraadpleegde literatuur wijst op het bestaan van een kleinschalige
steenfabriek. Er moet in de tweede helft van de vorige eeuw ook een steenbakkerij hebben gestaan tussen de Kasteellaan en het Moleneind.
Deze takken van nijverheid zijn kort na 1900 verdwenen.